Column Nel Kleverlaan

Nieuwe wegen

foto van Nel Kleverlaan.
Twaalfeneenhalf jaar Praethuys, ze zijn omgevlogen. Het was ontzettend hard werken en het heeft enorm veel voldoening gebracht. We vierden het leven, maar moesten ook vaak afscheid nemen. Dan zocht ik naar woorden van troost, probeerde wat licht te brengen. Vaker nog was er blijdschap; tijdens de verwendagen, de modeshows, de boottocht, een etentje. Vorige week nog stonden we - samen sterk - juichend op het Waagplein. Het waren ontroerende momenten en ik zal ze oprecht missen.
Nu is het tijd om zelf afscheid te nemen. Van onze grote en kleine gasten, onze sponsoren, ons bestuur, onze vrijwilligers, van een fijn en warm huis. Niet meer Nel Praethuys, maar gewoon Nel Kleverlaan. Ik kijk er naar uit om nieuwe wegen in te slaan.
Eén weg is echter niet nieuw: de weg van het schrijven. Want de magie van het zoeken naar woorden blijft. Met die columns, artikelen en verhalen zit het dus wel goed. En wie weet pak ik mijn oude beroep van filmmaker wel weer op. Maar hoe het ook zij, 51 columns hebben een plek gekregen in de eerste ByNel, een op bijzondere wijze geïllustreerd boekje waar ik erg trots op ben en waarvan ik er een aantal in ’t Praethuys heb neergelegd. En de nieuwe columns? Op de facebookpagina ByNel kun je ze blijven volgen.
Wat ’t Praethuys betreft: dat staat op de kaart. Het is nu aan anderen om het over te nemen en voort te zetten. En daar heb ik alle vertrouwen in. Lieve gasten, collega’s, sponsoren… bedankt voor alles!


Spijt

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Wat onwennig sta ik voor een klas met 8ste groepers. We hebben net met veel kabaal en erebogen een in bruidsjurk gestoken juf en haar kersverse echtgenoot toegezongen en nu moet ik iets over Kankerspoken gaan vertellen. De juf van deze bijna brugpiepers heeft haar klas voorbereid op onze komst. Voordat ik van wal kan steken, steekt een van de leerlingen haar hand op.
‘Mevrouw, wat kun je doen als je iets hebt gedaan, of juist niet hebt gedaan waar je spijt van hebt, maar je kunt het niet goed maken omdat die ander is overleden?’
Daar sta ik dan. Om haar niet in verlegenheid te brengen door ten overstaan van haar klasgenootjes op zoek te gaan naar het waarom van deze vraag, pak ik terug naar een tip die al veel kinderen heeft geholpen.
‘Misschien kun je een brief schrijven, waarin je sorry zegt en dan die brief bij het graf neerleggen?’
Een nadenkende frons, prompt gevolgd door een nieuwe vraag.
‘Maar wat als die iemand gecremeerd is?’
‘Als de as is begraven kan je daar alsnog de brief neerleggen en als de as is uitgestrooid zou je de brief in kleine stukjes kunnen scheuren en aan de wind kunnen meegeven.’
De klas is muisstil. Dertig paar oren staan op scherp.
‘Helpt dat een beetje?’
Ze knikt en op haar gezicht breekt een verlegen lachje door.
Als we na afloop de school uitlopen en er plots een stortbui uitbreekt, rent ze achter ons aan. ‘Mevrouw, u mag mijn paraplu wel gebruiken hoor!’


Vier kinderen, vier reacties

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
In Nijmegen vindt de 7-jarige Robin een roze sprinkhaan in de tuin. Eigenlijk hoort het beestje groen te zijn, maar door een genetische fout ontbreekt het groene pigment en wordt er alleen maar roze aangemaakt. Een computerfoutje .. dat woord gebruik ik als ik aan kinderen uitleg hoe iemand kanker krijgt. Neem nu die vier die voor mij zitten; 13, 10, 8 en 6 jaar oud. Opa is vorig jaar aan kanker overleden en nu heeft moeder, die er met felrode lippen en een stijlvol mutsje sprankelend bij zit, borstkanker. Ze zijn zich rot geschrokken en reageren ieder op hun eigen manier. De oudste doet ontzettend haar best om er toch vooral maar even niet te zijn. Nummer twee vertelt dat hij op school een hardloopwedstrijd heeft gehouden om geld bij elkaar te rennen voor mensen met kanker. Nummer drie test mijn kennis door te vragen of ik wel weet dat mannen ook borstkanker kunnen krijgen, waarop ze met een hele serie cijfers komt aanzetten. Nummer vier babbelt over ziek zijn, haar verjaardag en haar teenslippers. Op het zonovergoten boerenerf hebben we het over de dagelijkse beslommeringen, vermoeidheid, kankercellen en gezonde cellen, want die laatste zijn natuurlijk superbelangrijk. Als ik vraag wat er na de chemo komt, juichen ze in koor: ‘Portugal!’ Hun ouders schieten in de lach. ‘Eerst Portugal, dan de operatie en dan kijken we hoe verder’. Een voor een verdwijnen de kinderen naar de trampoline, het voetbalveld en achter de iPad. Het is tijd voor een lekker lang Pinksterweekend.


Rondlummelen

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
‘Zet uw plooifiets maar in de garage, mevrouw!’ De uitbaatster van de B&B wijst naar onze vouwfietsen achterin de auto. Met een uitgestreken gezicht bedank ik voor het aanbod. Teveel gesjouw, morgen gaan we immers weer verder. Lanterfanten heet de B&B en dat leek mij een toepasselijk begin van ons weekje vrij. Je hebt van die mensen die niks doen erg lastig vinden en daar ben ik er een van. Ik snap die mensen die na de chemo snel weer aan het werk gaan dan ook goed. Of het nou verstandig is of niet, op de een of andere manier voel je je nuttiger. ‘Rust roest’, zeiden ze vroeger bij ons thuis. Blijkbaar heb ik dat iets te goed in mijn oren geknoopt. Gelukkig zijn er genoeg mensen die hun vrije tijd probleemloos kunnen invullen. Eindelijk dat ene boek lezen, uitzending gemist kijken, lekker eten en vooral veel rondlummelen. Maar er is een groot verschil tussen vrijwillig lanterfanten omdat je er even tussenuit wilt en gedwongen lanterfanten omdat je ziek bent. Het eerste is leuk, het tweede veel minder. Dus wat zit ik nou te zeuren? Ik heb de luxe dat ik kan kiezen. Mijn zieke vriendje kan dat niet. Met het schaamrood op mijn kaken probeer ik het lanterfanten onder de knie te krijgen. Ik hang op de bank, sta op mijn kop en pak mijn plooifiets. Na een heerlijk rondje door de duinen is mijn hoofd leeg en kan het echte rondlummelen beginnen. Jammer dat de week al bijna om is.


Damessigaartje

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Hoewel de ondernemers een passie hebben voor puur en gezond, is hun restaurant gevestigd in een oude sigarenfabriek. Best een gekke combinatie. Maar de locatie is om te zoenen en het eten voortreffelijk. Ik zit er met een goede kennis die de weg kwijt is. Nee, niet in de stad, maar in haar leven. Het piekeren wil niet stoppen en haar zelfvertrouwen is tot ver onder het vriespunt gedaald. ‘Kop op,’ hoor ik mijzelf zeggen. ‘Je bent gewoon goed zoals je bent. Stop met jezelf te vergelijken met al die mensen die ogenschijnlijk geslaagd zijn, geweldige relaties en beeldschone kinderen hebben. Mensen die nooit ouder worden en het helemaal gemaakt hebben.’ Hoewel het lijkt alsof ze in haar eigen luchtbel zit, vindt ze het fijn om even bij te kletsen. Als ik naar buiten loop, schiet het door mij heen dat dit nou echt vrouwendingen zijn. De heren Graftdijk & Mooy zouden het ongetwijfeld anders hebben aangepakt. ‘Wat dacht u van een goede sigaar mevrouw? Zo’n mooie panatella, tuitknak of corona past qua formaat misschien het beste bij u. Of heeft u liever een frivool damessigaartje? Neem er in ieder geval een cognacje bij. Leun achterover, overdenk, sluit af en begin morgen opnieuw. De wereld is te groot om het allemaal te omvatten en we zullen het toch echt zelf moeten doen.’ Helaas heeft ze een hekel aan alles wat ongezond is. Ik zou het haar zo gunnen om het voor één keer eens over een ander boeg te gooien.


Leedsetters

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Het Noord-Hollandse Jisp stond bekend om haar leedsetters. Het waren mensen die er hun werk van maakten de ledematen van kreupele of misvormde lieden recht te zetten. De patiënten werden eerst verdoofd met een flinke dosis brandewijn, dan werd het bot gebroken waarna alles weer aan elkaar werd gezet en gespalkt. Voor de voortzetting van de behandeling had men een ingenieus systeem van zandzakken en katrollen bedacht. Was het bot een beetje aan elkaar gegroeid dan werd de patiënt op een ladder gebonden en tegen de muur van de kerk gezet. Want zonlicht zet om in vitamine D en dat is goed voor de mens.
Heel soms voel ik mij ook een soort leedsetter. Ik gebruik dan wel geen brandewijn en katrollen maar woorden, tips en adviezen. Immers behalve lichamelijk kun je ook mentaal flink in de kreukels liggen. Tegelijkertijd moet je over zo’n vak nu ook weer niet al te dramatisch doen. Wel is praten met volwassenen en kinderen die in een crisissituatie zitten een forse klus. Sterker nog: als je ze iets extra’s wilt meegeven moet je van goede huize komen. Het gaat immers om kennis en kunde. ‘Het was een verademing om te praten met een volwassene die in mij geïnteresseerd leek en niet alleen in mijn ellende. Die geen informatie probeerde af te tappen of een lijstje afwerkte van Dingen Die Je Moet Zeggen Tegen Getraumatiseerde Kinderen’, aldus de hoofdpersoon in het boek ‘Het puttertje’ van Donna Tartt. Kijk, van zo’n uitspraak kan elke getrainde of aanstormende leedsetter iets leren!


Wauw lente!

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
De winter heeft haar jas uitgedaan. Het weer is nog veranderlijk, maar de zon voelt al lekker warm aan. De prunus zit vol wit-roze bloemen en ook de magnolia staat in bloei. Voor de Italiaanse ijssalon staat een lange rij mensen. In Japan wordt de Hanami gevierd. Bezoekers genieten van de pracht en praal van de bloeiende kersenbomen. Het ritueel van het bloemen kijken en dan in het bijzonder de neerdwarrelende bloesemblaadjes. Hele families picknicken onder de bomen en er worden duizenden selfies gemaakt. De bloei van de Japanse kersenboom symboliseert een nieuw begin. Tegelijkertijd laat het zien hoe kwetsbaar alles is. Eén zucht wind en de grond ligt bezaaid met blaadjes. Vergeet vooral niet de schoonheid in je op te nemen, lijken de bomen te zeggen. Geniet van de lente en van alles wat goed is. Een van de kinderen verwoordde het als volgt. ‘Lente geeft je warmte. Overal en nergens. Ik hou van gezelligheid. Ook op school, bij mijn vrienden voel ik warmte. Lente is voor alle mensen leuk en je moet blij zijn’. Ze schreef het op de achterzijde van haar tekening. Aan de voorzijde gloort boven vijf kleine rode bloemen, twee dikke wolken en een plensbui, een grote gele zon. Onderaan in grote letters: ‘Wauw, lente.’ Kracht putten uit het voorjaar. De belofte van warmte en gezelligheid. Ik vond de tekening bij het opruimen van mijn kast en vraag mij af wat dit meisje getekend zou hebben als ze uit Japan kwam. Zouden er kersenbloesems op de tekening hebben gestaan?


De kleine prinses

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Er was eens een kleine prinses. Ze had blond haar, blauwe ogen, een papa, een mama en een kleine zus. Op een dag moest de kleine prinses heel erg huilen. Haar papa was erg ziek en ze was bang dat hij niet meer beter zou worden. Ze huilde wel meer dan honderd tranen. Thuis, op school, in de auto, ze kon niet meer stoppen. Ze huilde zoveel dat zelfs mama er verdrietig van werd. Natuurlijk mocht de kleine prinses om haar papa huilen, maar er moest toch iets zijn wat een beetje hielp? Na lang nadenken kreeg mama een idee. Wat als ik haar nou eens een knuffel geef? Een knuffel waar ze tegen kan praten, die haar kan troosten en die er altijd voor haar is? Zo gezegd, zo gedaan. De kleine prinses kreeg een knuffel. Een echte papaknuffel. Natuurlijk moest de knuffel direct mee naar het ziekenhuis. Samen met de tekening die de kleine prinses voor haar papa had gemaakt. ‘Wat ben jij een gave knuffel’, zei papa. ‘Nu komt het vast goed’. En hij gaf knuffel een boks en de kleine prinses een kus. Knuffel gloeide van trots. Toen ze weer naar huis gingen hield de kleine prinses haar papaknuffel stevig vast. Het leek wel alsof haar verdriet een beetje minder was geworden. Vanaf die dag nam ze haar papaknuffel overal mee naar toe. Op school zat hij naast haar en zelfs als ze ging fietsen ging hij mee. Ze vertelde hem alles. En knuffel? Die begreep het helemaal!


Afscheid van een borst

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Ze staat onder de douche en huilt. Masseert zachtjes haar linkerborst, de borst die haar zo verraden heeft. Eigenlijk durft ze ‘m niet meer aan te raken, want wat als ze daarmee de kankercellen verspreidt? Onzin, die cellen zitten er al langer en dus kunnen die paar aanrakingen er ook nog wel bij. Nog één keer voelen, nog één keer strelen. Op haar netvlies verschijnen de beelden die ze op internet heeft gezien. Borsten met butsen en deuken, halve borsten, littekens, getatoeëerde lege plekken. Gek genoeg oogden die vrouwen stoer. ‘Kom maar op’, leken ze te zeggen. ‘Kijk naar mijn lijf. Dit ben ik!’ Maar zover is ze nog lang niet. Nog geen twee weken geleden stond ze nietsvermoedend in de borstenbus. Nu ligt haar leven overhoop. ‘Ach meid, je kan er maar vanaf zijn’, had haar altijd nuchtere buurvrouw gezegd. Het voelde alsof ze niet verdrietig mocht zijn. Razend was ze, het is wel háár borst. Ze heeft ‘m volwassen zien worden, vertroeteld, heeft er haar kinderen mee gevoed en van hem genoten. Het is tijd om afscheid te nemen. Dat gaat ze nu heel bewust doen. ‘Dag borst’, fluistert ze. ‘Dag gek, lief, dierbaar, mooi, fout ding’. Ze ademt diep in en voelt zich merkwaardig krachtig. Resoluut draait ze de waterkraan dicht. Een laatste keer afdrogen, een laatste blik in de spiegel naar haar nog ongeschonden lijf. Vanaf morgen ziet ze er anders uit. Maar één ding is zeker. Ze weet waar ze het voor doet.


Duckstad

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Vanaf de badrand kijken ze mij onderzoekend aan. Een bouwvakker, een verpleegster, een roze eend met bloemetjes en de meeste coole van het stel: een eend met surfplank en zonnebril. ‘Kom op’, lijken ze te snateren, ‘zet dat hoofd stil en ontspan’. Ik doe mijn uiterste best en duik loom onder in een bad vol schuim. Borrel, boek en bad, het summum van ontspanning. Dat met dat boek wil nog wel eens lastig zijn, want zodra ze de kans schoon zien gaan mijn armspieren in de relaxstand, waardoor ik in no-time mijn leeswerk moet reanimeren. Of ik soes weg en zie, terwijl ik proestend bij mijn positieven kom, een eindje verderop mijn puzzel drijven. Voor ik zover nog iets kan zien natuurlijk, want met een beslagen bril is de wereld behoorlijk mistig. ‘Wat deed jij vroeger om even tot jezelf te komen?’, vroeg ik iemand. ‘In bad gaan’, was het prompte antwoord. ‘Glaasje wijn, kaarsjes, lekker geurtje, gezichtsmasker, kortom: verwennen’. ‘Doe je dat nu nog wel eens?’ Ze keek alsof ze water zag branden. ‘Nee dus!!’ Geen tijd!!’ Er verscheen een diepe frons. ‘Gek eigenlijk’, mompelde ze. ‘Ik denk dat ik gewoon niet meer weet hoe ik het moet doen’. Ik denk aan die jonge vader die het zo leuk vindt om met zijn zoontje in bad te gaan, maar die er de tijd niet voor kan vinden. Jammer, want voordat hij er erg in heeft, vindt zoonlief alles stom en gaat hij echt niet meer met zijn vader in bad zitten.


Voor jou

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Op de een of andere manier hebben we de neiging om overal een speciale dag van te maken. Secretaressedag, de dag van de verpleging, rokjesdag, Wereldkankerdag. Al googelend kwam ik er nog een paar tegen die minder bekend, maar wel erg leuk zijn. Wat te denken van pindakaasdag, Pi-dag, Roodharigendag en de internationale dag van de ijsbeer? Het idee is om aandacht te vragen voor een specifiek onderwerp. Daar is niks mis mee, maar ik krijg er soms ook het heen-en-weer van. Je wordt immers wel erg met je neus op de feiten gedrukt. Wil je even niet aan Alzheimer of kanker denken, word je er toch nog mee geconfronteerd. Om er een positieve draai aan te geven hebben we op mijn werk een plan bedacht. Op Wereldkankerdag delen we rozen uit. Een gouden vondst en een geweldig signaal naar de buitenwereld. En dus zit ik hier tussen zes bakken gevuld met 250 rode rozen. Aan elke roos hangt een kaartje. Ik heb de eerste weggegeven aan een jonge vrouw die ontzettend haar best doet om overeind te blijven in de chaos die de kanker in haar leven veroorzaakt. Ze was blij verrast. Een klein gebaar. Een roos om iemand een hart onder de riem te steken. Een roos om te zeggen dat je blij bent met wat hij of zij voor jou doet of betekent. Een roos omdat datgene wat je eigenlijk wilt zeggen, nauwelijks in woorden uit te drukken valt. Een mooie, warme, rode roos speciaal voor jou.


Loodjeslijst

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
Betimmer een van de wanden in je kamer met sloophout en schrijf op elke plank iets wat je absoluut wilt doen. Dat kunnen grootse of uitdagende dingen zijn, maar ook kleine. Een keer paardrijden, de vuurtoren beklimmen, in je eentje op een terras zitten, een dag met je broer op stap, een kip adopteren, de bloeiende kersenbomen in Japan gaan bekijken, motorrijles nemen of je nu eindelijk eens aanmelden bij dat koor. Zorg voor minimaal honderd planken en beloof jezelf om elke maand tenminste één ding af te vinken. Zijn alle planken vol? Bestel dan een nieuwe pallet sloophout en begin opnieuw. Want persoonlijke dromen zijn niet aan leeftijd gebonden en houden nooit op. Een bucketlist moet je bij leven maken en niet als je op het punt staat om dood te gaan. In die laatste fase wil je soms helemaal niet meer parachutespringen of andere doldwaze dingen ondernemen. Waarschijnlijk wil je dan gewoon lekker in je tuin zitten. De inmiddels overleden journalist Albert de Lange citeerde een vriend die hem schreef: ‘een bucketlist is een belediging van het bestaan dat je voordien hebt geleid’. Alsof je toen niet leefde! Wist je trouwens dat de term is afgeleid van het Engelse ‘kick the bucket’? De Belgen hebben er een fraaie variant op gevonden: de loodjeslijst. Maar waar het allemaal om gaat, is dat het erg jammer is als je zo’n lijst pas op het laatst van je leven gaat maken. Doe het nu. Niet omdat je straks misschien doodgaat, maar omdat je nu leeft!


Roeiboot

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
De 7-jarige Keanu dobbert op de golven. Vandaag is de zee rustig, maar de afgelopen weken kieperde zijn bootje bijna om. De ruzies tussen zijn mama en papa maakten de zee woester dan ooit. ‘Ik heb een geheim’, fluistert hij. ‘Wil jij het horen?’ We zitten als twee samenzweerders op ons kleine eiland. De wereld om ons heen kan ons gestolen worden. ‘Tuurlijk!’ antwoord ik. ‘Nou kijk, in mijn hoofd zit een boos gezichtje. Die wordt steeds bozer als ik mama en papa hoor schreeuwen, maar gelukkig zit er ook een zon in mijn hoofd. Dat is een soort heet lichtje. En dan zijn er soldaten die het lichtje helpen. Die zorgen ervoor dat het lichtje héél hard gaat branden. Dan wordt het boze gezichtje vanzelf minder boos … Nou, dat is mijn geheim’. Ik prijs hem om zijn overlevingstactiek en geef hem als beloning een dikke knuffel. Even hangt hij tegen mij aan, dan spurt hij naar de andere kinderen. Die hebben allemaal een zieke vader of moeder, maar gelukkig gaat het daar iets beter mee. Gisteren zat ik zelf in een roeiboot. Vier kussens op de woonkamervloer, rugzak om, koffer mee, een leeuw en een tijger onder de arm. Mijn kleindochter wilde naar Afrika en dus moest oma er aan geloven. De golven waren wild, maar gelukkig scheen de zon uitbundig en was het boze gezichtje in geen velden of wegen te bekennen. Eenmaal in Afrika hielp ze mij behulpzaam uit de boot. ‘Kom oma, kom. We zijn er’.


Een vlam van hoop

foto van 't Praethuys 'voor Mensen met Kanker en hun Naasten'.
We hebben allemaal onze helden. De 6-jarige Tijn is zo’n held. Een jongetje dat kanker heeft en nog kort zal leven. Met zijn nagellakactie steelt hij de harten van miljoenen mensen. Waarin een kleine jongen groot kan zijn. En dan is daar het liedje van Sanne Hans. Terecht dat de ouders van Tijn in tranen zijn. Tijn doet mij denken aan de kinderen die ik dit jaar gezien en gesproken heb. Hun worstelingen, angsten, veerkracht, maar vooral de altijd aanwezige hoop. De een bokst de kanker weg, de ander knipt z’n boosheid in stukjes en de derde laat weten dat ze haar propedeuse in één keer heeft gehaald en dat het na al die jaren goed met haar gaat. Al deze kinderen proberen er iets van te maken. Dat gaat met horten en stoten, maar toch. In die grote wereld, waarin allerlei dingen gebeuren die wij niet in de hand hebben, groeien onze kinderen op. Soms is hen een lang leven beschoren, soms een kort. Dat geldt ook voor onszelf. Hoe kunnen we toch ten volle leven? Door te proberen iets van dat leven te maken. Door op zoek te gaan naar die dingen die écht belangrijk zijn. Helden als Tijn zijn lichtpuntjes die kunnen uitgroeien tot een enorme vlam. En dat is precies wat Tijn voor elkaar heeft gekregen. Een vlam van hoop, gedragen door een kleine jongen die in de laatste periode van zijn leven een unieke actie startte met als doel andere kinderen een kans van leven te geven.


Regionaal Zorgpaleis


Alkmaar kent tal van prachtige hofjes en huyzen, uit plichtsbesef, als een vorm van PR en uit naastenliefde gebouwd door rijke burgers. De hofjes waren bedoeld voor ongehuwde bejaarde dames en alleenstaande mannen. Dat zegt iets over de zorgzaamheid van de Alkmaarse samenleving in het verleden. Tegelijkertijd ging het over zichtbaarheid, want deze liefdadigheidsinstellingen, bekostigd zonder bijdragen van de staat, zeiden ook iets over het aanzien van de stad. Je kon er met recht trots op zijn. Geprikkeld door een uitstekend artikel in de Volkskrant met als titel ‘Zorgpaleizen’ zocht ik naar de parallellen met ons Praethuys. En die zijn er te over! Ons Praethuys is weliswaar niet door rijke burgers gebouwd maar er wel door aangekocht. Het karakteristieke pand is met veel sponsorgeld omgetoverd tot een warme, waardevolle plek. Ook wij krijgen geen geld van de regering. Het (voort)bestaan van ons huys hangt volledig af van de vrijgevigheid van individuen, bedrijven en organisaties. Een enorme uitdaging, maar het lukt. Blijkbaar geeft het ook in de huidige tijd een goed gevoel als je kunt bijdragen aan een organisatie die bij jou in de buurt is en waar het goed toeven is. Waar je vader, moeder, broer of zus even kan bijkomen van wat kanker met hem of haar doet. En vanzelfsprekend liften onze gulle gevers mee op ons succes. In plaats van een gevelsteen krijgen ze een plaatsje op de website en op Facebook. Iets minder blijvend, maar o zo belangrijk. Want zonder die zorgzaamheid en verbondenheid was ons regionale zorgpaleis er niet geweest!


Gelukszoekers


Nadat Raj Raghunathan ontdekte dat hij veel minder vrolijk in het leven stond dan vroeger, besloot hij uit te zoeken hoe geluk werkt. De wetenschapper dook in de boeken, interviewde grootheden, schreef de bestseller ‘Als je zo slim bent, waarom ben je dan niet gelukkig?’ en weet inmiddels alles over geluk. Zijn online cursus is een hype onder gelukszoekers. De helft van onze gelukspotentie zit in de genen, aldus Raghunathan, die de cijfers haalt uit een onderzoek van Sonja Lyubomirsky, een collega met een al even onuitspreekbare naam. Tien procent is afhankelijk van gebeurtenissen en de overige 40% is beïnvloedbaar. Dat is goed nieuws, want daarmee wordt geluk alsnog een beetje maakbaar. En is dat niet wat we allemaal willen? Als ik lees dat Raj het vermogen heeft om zijn geest van tijd tot tijd het zwijgen op te leggen, want het is druk daar in het hoofd en dat is niet bevorderlijk voor geluk, krijg ik een acute aanval van jaloezie. Pfff… ik zoek al jaren naar die aan-uit knop. Wees mild voor jezelf, gaat de geluksprofessor onverdroten voort. Behandel jezelf zoals je een dierbare vriend zou behandelen. Raj houdt een dagboek bij waarin hij elke dag drie dingen opschrijft die hem blij maken. In een poging mijn leven te beteren volg ik zijn voorbeeld: de boom in onze tuin is helemaal herfst, ik kreeg vandaag een foto en smolt van verliefdheid en hoera, ik mag dadelijk met een goed boek naar bed. Hmm, nu nog een warme kruik en ik kan mijn geluk niet meer op.


Zoƫ


Zaterdagavond. ‘Nee, mam, het is er nog steeds niet, maar ik bel je toch maar even.’ Onze kleindochter is blijkbaar nog niet klaar voor die grote onbekende wereld en blijft lekker warmpjes bij haar moeder. Ik had gehoopt dat ze dit weekend geboren zou worden, maar zelfs kleinkinderen hebben recht op hun eigen koers en dus sta ik drie dagen later met mijn mobiel in de aanslag les te geven. Zestien oncologieverpleegkundigen luisteren met volle aandacht naar de verhalen en reacties van kinderen. We bespreken hun ontwikkeling, hun angsten en hun veerkracht. Dan gaat de telefoon. ‘Opnemen’, roept de groep in koor en ik spurt de gang op. ‘Ze is er, mam’, hoor ik mijn zoon zeggen. ‘Het was een enorme klus, maar alles is goed!’ Ik slaak een zucht van verlichting. Hij vertelt over de bevalling, noemt haar naam, zegt dat ze tien vingertjes en teentjes heeft en als ik vraag hoe hij zich voelt zegt hij: ‘ik heb al even met haar gedanst’. Met een brok in mijn keel loop ik het lokaal binnen. Na de felicitaties hervat ik de les. Dat lukt wonderwel en zoals altijd eindig ik de presentatie met een, door een van de kinderen getekende, lachende zon. Als ik uren later en een chagrijnige buschauffeur verder het ziekenhuis binnenstap, is het gezin compleet. Trots kijk ik naar mijn boomlange zonen, sinds vandaag allebei vader. De manier waarop ze hun dochters in de armen sluiten is hartverwarmend. Een beter begin van het leven kunnen deze kleine mensenmeisjes zich niet wensen.


Lekker luchtig


‘Mevrouw het is heus niet allemaal kommer en kwel hoor. De wereld stond na mijn darmkanker echt niet op z’n kop. Sterker nog, ik heb er mijn huidige vrouw aan overgehouden’. De strekking was duidelijk. Een beetje positiever kon ook wel. Je kon toch ook proberen om elke dag iets van het leven te maken? Ik mail de man dat ik zijn tip zal meenemen en kijk met een schuin oog naar de roze zakken die in ons overvolle kantoor in slagorde staan opgesteld. Ze bevatten breiboezems, gebreide borsten voor vrouwen die als gevolg van borstkanker een amputatie hebben ondergaan en die naast hun siliconen prothese graag iets anders willen uitproberen. Minder plakkerig, minder zwaar, lekker luchtig. Behalve dat de actie enorm aanslaat en wij overdonderd worden door gigantische hoeveelheden boezems, heeft het nóg een effect. Kijk, al die vrouwen leven dus nog! Ze joggen, fietsen, doen mee aan Heel Holland Bakt, passen op hun (klein)kinderen, volgen een studie of werken. Het was een geweldige oppepper voor die moeder wier dochter net heeft gehoord dat ze borstkanker heeft en die aan niets anders kon denken dan aan een fatale afloop. Ik heb haar voor de vrolijk gekleurde zakken neergezet en geroepen dat het ook anders kan. Jaarlijks krijgen meer dan 14.000 vrouwen in Nederland borstkanker. Littekens, al dan niet jarenlang hormoontabletten slikken, opvliegers, de zenuwen voor de controles, het hoort er allemaal bij want kanker is nu eenmaal geen griepje. Maar die roze zakken geven moed. Driekwart van de vrouwen overleeft het.


'Praten, papa'


Dit is een column met een strik, want goed geteld is dit nummer honderd. Wordt het stoppen of doorgaan? Ik kan maar niet tot een besluit komen. De telefoon gaat. Een huisarts aan de lijn. ‘Heb je even?’ vraagt ze. Het blijkt over een zieke vader, zijn vrouw en twee dochters te gaan. De oudste praat, de jongste helemaal niet. Hoewel het meisje zich verder goed ontwikkelt, maken de ouders zich zorgen. Begrijpelijk, want dit niet-willen-praten-gedrag is op z’n zachtst gezegd onhandig. Er komt nog een lang en ingewikkeld traject aan en op school was ze gisteren ontroostbaar. We zetten een strategie uit in de hoop het meisje steun en stevigheid te geven. Opgelucht hangt de dokter op. ‘Dank!’ roept ze. ‘Hier kan ik iets mee.’ Ik denk aan mijn eigen kroost. Hoewel het met het klimmen der jaren een stuk beter gaat en de WhatsApp wonderen doet, heb ook ik er een die praten lastig vindt. Hoe heftig het ook was, zijn emoties hield hij het liefst voor zichzelf. En dat maakte het niet altijd even makkelijk. Echter sinds hij zelf vader is, gebeurt er iets wonderlijks. ‘En hoe lossen wij dat op?’ vroeg hij onlangs bloedserieus aan zijn opstandige peuterdochter. ‘Praten, papa’, was het kordate antwoord. ‘Juist. Praten. Anders begrijpt papa er niks van!’ Terwijl ik van verbazing van mijn stoel stort, geeft hij haar een liefdevolle hug. Stilletjes geniet ik van dit unieke zoon-kleindochter moment. Mijn column is klaar. Ik denk dat ik toch nog maar een tijdje doorga.


Het P-doosje


Het is alweer een jaar geleden. Ik mis haar intens, maar ben trots op wat we samen hadden. De herinnering aan onze laatste autorit, het was een zachte herfstavond en je wilde nog één keer in de cabrio, heb ik in een doosje gestopt. Ik weet nog hoe ik heel behoedzaam alle hobbels nam, want je botten waren broos van de kanker en ik was als de dood dat je ter plekke zou breken. En nu zit dat moment, samen met je lach, levenslust en eigenzinnigheid in het P-doosje. Soms houd ik het doosje even vast en als ik voldoende moed heb verzameld, schuif ik het voorzichtig open. Dan springen de herinneringen er een voor een uit. Ze draaien roepend en lachend om me heen. ‘Kijk, ik ben weer levend’, zeggen ze. ‘Herinner mij, praat over mij, want als je dat niet doet dan ben ik er echt niet meer. Weet je nog die keer dat je dat gekke dansje maakte om mij op te beuren en ik je ervan verdacht dat je het verzonnen had? Voor straf moest je er een filmpje van maken. Heb je het bewaard?’ Ja, lieve P, het staat nog steeds in mijn telefoon. Evenals de foto’s en onze Whatsapp gesprekken. Want als ik ze verwijder moet ik nog een keer afscheid van je nemen en dat wil ik niet. Er komt vast een tijd dat ook dit materiaal in het P-doosje gaat. Maar voor nu laat ik het zo. Het is tenslotte nog maar een jaar geleden ...


Juf Bulstronk


Hij zou mij ontegenzeggelijk als een ontzettend onplezierig mens hebben neergezet. Een aardige oma kon nog net, maar een psycholoog die ook nog eens verstand van kinderen denkt te hebben? Ik vrees dat ik tot de overtreffende trap van een mensbaksel zou zijn gebombardeerd. Misschien zou het feit dat ik vooral werk met kinderen die met kanker te maken hebben het oordeel iets verzachten, maar die hoop is niet groter dan een muizenkeutel. Vrijwel alle volwassenen in zijn boeken worden afgeschilderd als de meest vreselijke wezens. De kinderen daarentegen zijn zonder uitzondering inventieve, slimme doorzetters. Niks gezever over veerkracht. Gewoon doen! Joris experimenteert met een geheimzinnige toverdrank om zijn chagrijnige grootmoeder een lesje te leren, Matilda gebruikt haar telekinetische gave om juf Bulstronk te verslaan en Sofie sluit vriendschap met een goedmoedige reus. ‘Als ik verdrietig ben, pak ik een boek van Roald Dahl’, zegt B. die een moeder met borstkanker heeft. ‘Dan denk ik er niet meer aan, dan verdwaal ik in het verhaal’. Roald Dahl zou deze week honderd zijn geworden. Hij mocht dan een oude mopperkont zijn geweest, hij kon schrijven als de beste. De kinderen in zijn malle, fantasierijke boeken gaan ieder op geheel eigen wijze de uitdaging aan. Voor dat laatste ben ik dus gevallen. Het is precies de reden waarom ik voor dit vak koos. Want zelfs als je het lukt om de juiste toverdrank te fabriceren, blijft het een heel gedoe om je staande te houden in een wereld die er anders uitziet dan je had gewenst.


Brugpiepers


Soof whatsappt haar opa. Morgen is het haar eerste schooldag en Soof kan niet slapen. Na flink wat bemoedigende woorden van opa, duikt ze gesterkt onder de dekens. En dan is het zover. De jongens zijn spichtig en iel. Veel te klein voor hun fietsen. Of misschien zijn hun fietsen gewoon te groot. En alsof de enorme kratten nog niet voldoende zijn, torsen ze ook nog een rugzak mee. De meiden zijn bijna allemaal een kop groter dan hun mannelijke tegenhangers. Ze ogen opmerkelijk volwassen, lijken precies te weten hoe ze zich moeten gedragen. ‘Vanaf nu moeten jullie je eigen verantwoordelijkheid nemen’, zegt de mentor. ‘Je moet leren plannen en zelfstandig je taken kunnen uitvoeren.’ Ach en dan moet je nog dertien worden! Hele hordes brugpiepers staan op de springplank van een leven vol uitdagingen. Nieuwe lessen, nieuwe vrienden, nieuwe ideeën, ontluikende liefdes, een lijf dat alle kanten opgroeit, een brein dat volop in ontwikkeling is. Ze zijn stoer en kwetsbaar tegelijk. Willen o zo graag volwassen zijn, maar kruipen als niemand het ziet nog heerlijk tegen je aan. Het is natuurlijk stom om aan je vrienden te laten zien dat je gek bent op je zusje. Maar als ze even niet kijken, stuurt de dertienjarige Luuk haar een big hug. Jesse mag dan stoer doen tegen zijn mentor, hij heeft nog steeds dat oude, tot op de draad versleten, sabbelbeest onder zijn kussen. Twee dagen later informeert Soofs opa naar haar ervaringen. ‘Cool opa, het gaat vast goed komen, ik heb al twee nieuwe vriendinnen!’


In de ontspanningsmodus


Soms werd het stil en sloot hij zijn ogen. ‘Waar ben je?’, vroeg ik. ‘Af en toe trek ik mij helemaal terug uit het heden’, antwoordde hij plechtig. ‘Waar ga je dan heen?’ ‘Naar een plaats waar het beter voor mij is.’ ’Waar is dat dan?’ ‘Weet ik niet’, zei hij. ’Ik heb het nog niet gevonden’. Dit gesprek vond plaats tussen een dochter en haar demente vader. Ik vind het van een ontroerende schoonheid. En wat een wijsheid! Eigenlijk zou iedereen dit af en toe moeten doen. Weg uit het heden. Niet omdat je dement dreigt te worden, maar omdat het nieuwe horizonten biedt. Een soort van ‘op weg naar mijn vakantieadres’. En dan wel zonder de gebruikelijke stress. Niet gehaast pakken en met een noodgang naar je uiteindelijke bestemming scheuren. Maar lekker rustig, met de nodige stops. Genietend van het uitzicht, de geuren en de kleuren. Eigenlijk weten we best wat goed voor ons is. Maar doen we dat ook? We gaan niet op vakantie omdat we fysiek afgepeigerd zijn, maar omdat we er door alle drukte ontzettend aan toe zijn. En dan denken we ook nog dat die vakantie, waarin we natuurlijk ook nog van alles moeten, genoeg is om te ontladen. Nee dus! Ontladen doe je door regelmatig in de ontspanningsmodus te gaan. Door je van tijd tot tijd terug te trekken uit het heden. Het is een kwestie van oefenen. Maar geloof me, je komt vanzelf op een plek die goed voor je is.


Doorgestreept


Nog even en ze zitten allemaal in mijn mobiel. Ik had het al veel eerder willen doen, maar iets weerhoudt mij ervan om de klus te klaren. Is het omdat ik dat veelgebruikte, lekker in de hand liggende boekje niet kan missen? Of is het omdat ik niet weet welke ik erin moet zetten? Nee, er is duidelijk iets anders aan de hand. Al bladerend dringt het tot mij door dat dit oude, vertrouwde adresboekje deel uitmaakt van mijn verleden. Het staat vol met krabbels en doorhalingen. En al die veranderingen hebben een betekenis. In één oogopslag herken ik de beroepsverkassers, de honkvasten en de nieuwkomers. Zie ik wie er zijn overleden of van werk zijn veranderd. Maar het meest interessant zijn ‘de vrienden van toen’. Sommigen zijn letterlijk en figuurlijk doorgestreept. Ze haakten af omdat ze hun eigen sores hadden en die van mij er niet bij konden hebben. Omdat ze een nieuwe partner kregen. Omdat ik te hoge verwachtingen van hen had. Het voelde goed toen ik besloot er geen energie meer in te stoppen. Bovendien wordt het een drukte van belang als je iedereen te vriend wilt houden. Nee, het is prima zo. Neemt niet weg dat ik hen af en toe een beetje mis. Maar ach, ze zitten netjes opgeborgen in dat kleine, beduimelde adresboekje. Overigens is een mobiel ook niet alles. Een goede vriend liet het ding ooit in het toilet vallen. Daar bleken zelfs de meest volhardende adressen niet tegen bestand.


Dinosaurus


Het begint al te schemeren. ‘Hebben jullie ‘m al?’ vraag ik de twintiger die turend naar zijn smartphone over het stuur van zijn fiets hangt. Uitgelaten wijst de jongen naar zijn scherm. ‘We hebben er al een heleboel. En we zijn al uren onderweg. Ik heb nog nooit zoveel beweging gehad. Wel goed voor ons, zeker voor hem’ en hij wijst plagend naar de gezette jongen die vooraan staat. ‘Maar ze zijn niet echt hoor mevrouw, ze zijn virtueel’, laat hij er op volgen. ‘Nou dag, we gaan weer verder!’ Blijkbaar voelt hij de noodzaak om mij iets uit te leggen. Aardig, maar op zo’n moment voel ik mij nog net geen dinosaurus. Toen ik jaren geleden voor het eerst met ‘mevrouw’ werd aangesproken, keek ik verbaasd om. Stond er iemand achter mij? Nee, er was niemand te bekennen, het ging dus wel degelijk over mij. Van het ene op het andere moment behoorde ik tot de andere generatie. Nou kun je daar veel over zeggen, maar het is maar net hoe je er tegenaan kijkt. In de ogen van kinderen ben je sowieso oud. Dat begint al bij 40 en dus ben je bij 50 zo ongeveer aan een rollator toe. ‘Een borst eraf als je vijftig bent is niet zo erg’, aldus een student geneeskunde, zelf nog maar net droog achter de oren. ‘Zo’n vijftiger hoeft toch niet zoveel meer’. En daar sta je dan. Gelukkig kreeg deze student les van een dinosaurus en is ook hij wijzer geworden.


Kaal zonder chemo


Was het omdat H. de vraag stelde wat wij er van zouden vinden als C. zijn hoofd kaal zou scheren? Nou ja, hij is al bijna kaal, maar het ging om het laatste beetje en dat staat nou net zo charmant. Dat was bij B. niet het geval. Als hij zijn mond opendeed viel je steil achterover van zijn bovenmatige intelligentie, maar zijn kapsel leidde enorm af. Vanuit een messcherpe scheiding vlak boven zijn linker oor liepen vijf lange donkere haren dwars over zijn kale hoofd. Hoe meer ik er over nadenk des te meer kale mannen ik ken. Mijn zwagers, de jonge vader op het kinderdagverblijf die zo leuk met zijn babyzoontje omgaat, de getatoeëerde testosteronbom die dagelijks met zijn vechthond langsloopt, onze invalkracht die aan het bureau tegenover mij zit. Hij stuurt mij de volgende mail: Zaterdagmorgen, ik zit op mijn vertrouwde plek aan de eettafel. Mijn liefdochter, schoonzoon en kleinkids zijn op de koffie. Keinzoon Teun zit bij zijn vader op schoot en knabbelt aan een koekje. Ik zie zijn observerende blik. Wat gaat er in dat koppie om? Welke opmerking gaat er komen? En ja hoor, daar komt het ... ‘Pappa waarom heeft opa geen haartjes?’ klinkt het zacht. Zijn vader probeert het uit te leggen. ‘Sommige mensen hebben heel veel haartjes en andere weer niet. En bij sommige mensen gaan alle haartjes zomaar weg. Pappa weet ook niet zo goed waarom dat is. Gek hè.’ Teun knikt begrijpend en kijkt mij liefdevol aan. Die aandacht van zo’n mannetje geeft een warm gevoel. Niks erg om kaal te zijn!


Stoer!


Het was stoere-verhalen-week. Een vrouw die haar baan opzegt, voor een maand naar India vertrekt, een brommer huurt en het land verkent. ‘Het leven is immers te kort om dingen te doen die niet bij je passen …’ aldus deze vrouw. Een andere vrouw blijft ondanks alle behandelingen rally’s rijden. Pijn of geen pijn, het maakt haar mentaal sterker. ‘Racen geeft mij een boost. In de auto ben ik niet ziek, pas als ik eruit kom ben ik kapot’. Ja, hoe stoer kun je zijn? Vrijwel alle mensen die kanker hebben (gehad) verleggen hun grenzen. En eigenlijk vind ik ze allemaal stoer. Want wat te denken van dat kale hoofd? Dat geknoei met die stomazakjes? De starende ouders op het schoolplein? Die achter de schappen duikende mensen in de supermarkt? Al die beslissingen die je moet nemen? Hoe stoer is de man die er voor uit durft te komen dat ook hij soms door angstspoken wordt overvallen? En hoe stoer de vrouw die aangeeft dat ‘alles doen’ veel te veel is? Het toppunt van stoerheid kwam deze week van de twaalfjarige Marit. Zij kreeg, nadat bij haar moeder borstkanker werd vastgesteld, extreem veel last van verlatingsangst. Maar Marit heeft de hindernissen overwonnen. Ze heeft steun gezocht bij vriendjes en vriendinnen, een spreekbeurt over kanker gehouden en eindeloos geoefend met nachtjes buitenshuis slapen. Nu, bijna een jaar later, gaat het goed met haar moeder en staat er een lachende puber voor mijn neus die glimmend van trots vertelt dat ze op schoolkamp is geweest. Kijk, dat is pas echt stoer!


Vlinders vangen


Mijn broer had een kleine verzameling opgezette vlinders. Hij ving ze zelf op een veldje vol klaprozen, slaapmutsjes, margrieten en korenbloemen. Gevangen en geprepareerd prijkten de vlinders in het kastje op de overloop, elk met een speld op een dun laagje piepschuim geprikt. De afgelopen jaren ving ook ik vlinders. Geen echte, maar woorden en gebaren van kinderen en volwassenen. Vandaag kwam er zo’n vlinder voorbij. Losgelaten door een jochie dat zijn vader enorm mist. Soms is hij er letterlijk misselijk van. En dan is het straks ook nog vaderdag. Heimwee, volgens zijn jongste broertje. Wat een wijsheid! Terwijl ik vertel over de ervaringen van andere kinderen, luistert hij aandachtig. Ik prijs hem om hoe hij ermee omgaat, pak een vel papier en schets een gezicht dat hij op zijn slaapkamerdeur kan plakken als hij even alleen wil zijn, maar waarmee hij ook kan laten zien dat het goed gaat. ‘Maak een stopbord’, stel ik voor. Hij grijnst. ‘Ik kan ‘m ook jatten ..’ ‘Ja, maar die borden hebben een saaie achterkant’, sputter ik. ‘Het is de bedoeling dat je het kunt omdraaien en dat er dan een vrolijk gezicht op staat’. De spanning ebt uit zijn lijf. Dat is het moment waarop hij mij een kijkje in zijn hart gunt. Ik zie zijn moed om verder te gaan en plant ook deze vlinder in het kastje van mijn geheugen. Bij het afscheid geeft hij een mep op de boksbal. Vlinders kom je overal tegen. Je moet ze echter wel zien.


Dagboek van een schoen


Maandag: een oudere man zegt dat het hem over de schoenen loopt. Zijn vrouw is ziek en hij kan het niet meer bijbenen. Dinsdag: een jonge vrouw is boos, ze heeft allerlei idiote adviezen gekregen waardoor de moed haar in de schoenen zonk. Zie ‘m er nu maar weer uit te krijgen. Thuis zet ik mijn onlangs op de kop getikte Russische dokterskast in een stabiele positie. Eindelijk kan ik mijn nog prille collectie miniatuurschoentjes gaan uitstallen. Woensdag: nadat ik voor de zoveelste keer de slaap niet heb kunnen vatten, slof ik met lood in mijn schoenen naar mijn werk. Bij een trainingsrondje met mijn vriendin komt het gesprek op de fatale combinatie van onze met het klimmen der jaren steeds pijnlijker wordende voeten en het dragen van high heels. Sinds enige tijd behoren gympies tot de standaarduitrusting zodat we niet na elke receptie strompelend huiswaarts hoeven. ‘Wie mooi wil gaan, moet pijn uitstaan’, zei mijn vader altijd. Maar ondertussen liep hij zelf op comfortabele schoenen. Donderdag: een klein meisje staat ondanks alles wat er is gebeurd, stevig in haar schoenen. Ik ben meer dan trots op haar. Vrijdag: ‘Je bent fantastisch!’ luidt de mail. Het moet toch niet gekker worden, ik loop nog net niet naast mijn schoenen. Zaterdag: in een poging net zo goed te zijn als spookschrijver Hendrik Groen besluit ik ‘Het dagboek van een schoen’ te beginnen. Zondag: bij de koffie stel ik mij de vraag in wiens schoenen ik zou willen staan. Ik ben er nog lang niet uit. Wordt vervolgd.


Gouden plak


‘Hoera, ik mag weer naar ’t Praethuys’ en met een noodgang rent het jochie naar de zolder, waar de andere kinderen al op hem wachten. Raar. Want wie wil er nou naar een huis voor mensen met kanker en hun naasten? Maar het is het gewoon lekker als je hoort dat je gevoelens heel normaal zijn. Als je je verhaal kwijt kunt, niet meteen allerlei goedbedoelde adviezen om je oren krijgt, verwend wordt of even kunt bijtanken. Want soms lijkt het alsof je in de verkeerde film zit. ‘Het gaat vast niet over mij’, denk je dan. Of ‘als ik morgen wakker word is het over’. De behandeling is een aanslag op je lijf. En dan die emoties. Mag je boos, bang of verdrietig zijn? Natuurlijk! Want kanker hebben is niet niks. Dat geldt voor iemand die het zelf heeft, maar ook voor zijn of haar familie. Zeven jaar na de diagnose leukemie nam Maarten van der Weijden deel aan de Olympische Spelen in Beijing. Als door een wonder won hij goud op de 10 kilometer zwemmen. Anno 2016 moet hij nog altijd uitleggen dat het geen wedstrijd was tussen hem en meneer Kanker. Geluk, doorzettingsvermogen, uitstekende doktoren en prima behandelingen verdienen de glans van een gouden medaille, aldus Maarten. Ik zou daaraan toe willen voegen dat ook ondersteuning een gouden plak verdient. Of dat nou in de vorm van een kaart, een App of een gesprek in ’t Praethuys is. Het is gewoon goed om te weten dat je er niet alleen voor staat!


Hoezo normaal?


In een vorig leven had ik een schoonmoeder die, zodra ze een voet over de drempel zette, steevast in snikken uitbarstte. Als ik vroeg naar het waarom antwoordde ze: ‘ik vind het zo erg dat ik over een paar uur alweer weg moet!’ Helaas is het ons nooit gelukt haar tot andere inzichten te brengen. Mijn schoonmoeder was niet in staat haar zegeningen te tellen. Nou is dat ook niet iets wat je elke dag automatisch doet, maar het is wel handig om er naar te blijven kijken. Want vaak realiseren we ons pas wat we hebben, als we het niet meer hebben. Het is toch allemaal heel normaal? Maar wat als je nooit meer met twee benen uit bed kunt stappen, met je (klein)kind kunt knutselen of de bomen in het park kunt zien uitlopen? Wat als je nooit meer op je partner kunt mopperen? Wat als je niet in vrijheid kunt zeggen wat je denkt en voelt? We weten pas wat het is om gezond te zijn, als we ziek worden. Beseffen pas hoe we al klagend gelukkig waren, als onze partner is weggevallen. Genieten pas van onze vrije tijd, als we al werkend bijna onderuit zijn gegaan. Realiseren ons pas wat vrijheid is, als we uit een land komen waar het normaal is dat mensen onderdrukt worden. De in 2003 gestorven blues- en soulzangeres Nina Simone zong: ‘Ik heb geen huis, geen schoenen, geen geld, maar ik heb mijn hart, mijn ziel, het leven.’ Zullen we dus toch die zegeningen maar tellen?


Digitaal detoxen


In Amerika is het een begrip: een vakantie waarin je helemaal weg bent van de wereld, in een lege witte kamer, zonder televisie, WiFi of telefoon. Bij aankomst lever je alles in. Het is een lucratieve vorm van digitaal detoxen. Geen prikkels van buitenaf, terug naar het grote niets. Het ironische is dat zo’n lege witte kamer bakken met geld kost. Jammer ook van al die dure speeltjes die de afgelopen jaren zijn aangeschaft. Hebben we er eindelijk lol van, moeten we weer afkicken. Hoe komt het toch dat we ons zo makkelijk laten verleiden? Gisteren hoorde ik een gesprek over dwang en drang. ‘Weet je wat helpt?' zei de ene vriendin tegen de andere, ‘‘s Avonds niet op je telefoon kijken. Geeft een heleboel rust joh’. Geen digitale gadgets naast je bed, niet om de haverklap je mail checken, niet te pas en te onpas WhatsAppen, de oplossingen zijn zo eenvoudig dat je er bijna over struikelt. Dit alles overdenkend ben ik bij mijn afspraak aangekomen en sta ik voor het benedictijnenklooster. Een indrukwekkend gebouw met een prachtige tuin waarin de stilte voelbaar is. Na een hartelijke ontvangst door de priorin die veel jonger is dan je van een non zou verwachten, hoor ik tot mijn stomme verbazing een beltoon. Grinnikend haalt ze een smartphone vanonder haar habijt en naar mijn verblufte gezicht kijkend zegt ze: ‘Ja wat dacht jij nou? Zo’n klooster is een hele organisatie hoor. En zó weg van de wereld zijn we nou ook weer niet!’


Krook


‘Wat staat hier nou, Collin plus krokodil?’ mompelt mijn collega verbaasd. ‘Klopt, dat is een reminder, anders vergeet ik ernaar te vragen’. Voor mij is die aantekening de gewoonste zaak van de wereld. Collin is een jonge vent die op het punt staat om op zichzelf te gaan wonen. Alles loopt op rolletjes op één ding na: hij vindt het moeilijk om over zijn overleden broer te praten. Collin wordt er onzeker van. Vooral in nieuwe situaties. Als de sterfdag van zijn broer nadert voelt hij zich anders dan anders, prikkelbaarder. Op z’n stageplek begrijpen ze er niks van en ook z’n vrienden hebben het niet in de gaten. Is hij bang om emotioneel te worden? Bang dat zijn collega’s ontwijkend zullen reageren? Op zoek naar antwoorden vertel ik hem het verhaal van de krokodil onder het bed. Die krokodil is vooral eng als je hem niet ziet. Heb je het lef om hem er onder vandaan te halen en je angst in de ogen te kijken, dan blijkt het beest best mee te vallen. Sterker nog: hij kan je zelfvertrouwen flink oppeppen. Bij mijn eerste presentatie stond ik misselijk van ellende op de gang op zoek naar een steen om onder weg te kruipen. Plots werd ik herinnerd aan iets wat iemand ooit zei. ‘Hou het bij jezelf. Het is jouw verhaal.’ Stoer stapte ik het podium op. De reacties waren heel bijzonder en zonder uitzondering positief. En nu maar hopen dat ook Collin zijn Krook onder het bed vandaan krijgt.


Ontspannen?


Wil je een column schrijven over ONTSPANNEN? Ja lekker dan, ik wil gewoon in bad, de bijlage van de Volkskrant, glaasje erbij, even lekker niks doen. Maar die vlieger gaat niet op. Wie a zegt, moet ook b zeggen en dus hijs ik mijn stramme lijf moeizaam achter de laptop. Stram? Jawel, resultaat van ontspanning door inspanning. Sinds kort loop ik met veel enthousiasme het GFP, voor de goede verstaander: het Groot-Frieslandpad. Nog voordat ik ook maar één stap had gezet, had ik er al een project van gemaakt. Elke route iemand meenemen en daar een column over schrijven of nog liever een film maken. Het voelt meteen als werk. ‘Niet slim’, roept mijn ratio en dus besluit ik om echt te ontspannen. Ik ga in mijn eentje op stap. Maar dan hangt mijn zusje aan de telefoon. ‘Ga je alleen lopen? Jasses, wat ongezellig, zullen we samen gaan?’ Zoveel verleiding kan ik onmogelijk weerstaan. In weer en wind, over slijkdijken en prutpaden waar je twee stappen vooruit en drie achteruit glijdt, trekken we richting Enkhuizen. Uitrusten is onmogelijk want het is te koud om op een bankje te zitten en de kroegen zijn nog dicht. Maar we zijn stoer en gaan door. Te lang. Die laatste kilometers zijn net teveel, met als gevolg: rammelende gewrichten en zwabberende spieren. Zorg dat je voldoende rustmomenten hebt, hoor ik mijzelf dagelijks zeggen. Verdeel je energie en ga op zoek naar een redelijke balans. Gelukkig zijn er mensen die wél naar hun lijf luisteren.


Mutsenrevival


Hé, dacht ik, toen ik iets over het mutsenparadijs hoorde langskomen, dat is vast een webshop met kekke hoofddeksels voor mensen die kaal worden door de chemo- of radiotherapie. Maar nee dus, het betrof een boek over vrouwen en ambitie. Ik had er nog nooit van gehoord, maar ergerde me wild aan de manier waarop het werd gebracht. Het mutsenparadijs is voor de dommen en je moet er vooral aan proberen te ontsnappen. Omdat het erg denigrerend klinkt en ik daar slecht tegen kan, heb ik tot een tegenactie besloten. Ik ga een mutsenrevival ontketenen! Als eerste ga ik Van Dale mailen met het verzoek om de betekenis van muts als zijnde ‘een domme vrouw’ uit het woordenboek te schrappen. Het is vernederend, slaat nergens op en bovendien zijn er ook mannelijke mutsen. Verder ga ik de muts promoten bij vrienden en bekenden. Want chemo of niet, mutsen zijn gewoon lekkere warme hoofddeksels. Slaapmutsen, theemutsen, ijsmutsen, badmutsen, bontmutsen, dockers, beanies en chill-out mutsen, je kunt ze allemaal opzetten. Mijn eigen muts is gebreid door een vrouw uit Zuid Amerika. Dat weet ik omdat er een kaartje aanhing. Trouwens breien is weer helemaal in. Het is net yoga en als je geen steken laat vallen, werkt het kalmerend. Het leukste initiatief vind ik Granny’s Finest. Deze innemende onderneming brengt oma’s en opa’s met breiambities in contact met jonge ontwerpers met als resultaat minder eenzaamheid onder de ouderen en prachtige mutsen. Kortom: mutsen zijn gewoon in. Dus kom maar op met dat mutsenparadijs!


Knuffelhond


Bladerend door de brochure bedenk ik dat het toch wel heel bijzonder is dat juist deze uitgave vandaag op de mat ligt. Zou ik hierover hebben geschreven als ik geen kinderen had gehad? Zou ik in de kankerwereld zijn gaan werken als mijn zoon niet ziek was geworden? Vier jaar was hij toen hij binnen een paar weken van een levenslustige, eigenzinnige peuter in een bleek, hangerig, moe en ziek mannetje veranderde. Al snel werd duidelijk dat het goed mis was. In zijn kleine lijf groeide in rap tempo een tumor. We belandden in een wereld van onderzoek, (ruggen)prikken, chemokuren, spuugbakjes, pillen, infusen en nog heel veel meer. Met zijn knuffelhond onder zijn arm geklemd lag onze zoon stilletjes in het grote ziekenhuisbed. Zijn broers misten hem enorm, zijn opa en oma konden het verdriet nauwelijks aan en wij renden heen en weer tussen ziekenhuis, werk en thuis. Na een jaar was het grootste deel van de behandeling achter de rug en probeerden we weer grip te krijgen op zijn en ons leven. Langzaam kwam het vertrouwen in zijn gezondheid terug. Maar steeds was er die twijfel. Had hij buikpijn dan dacht ik dat het terug was, had hij hoofdpijn dan dacht ik aan uitzaaiingen. Nu, ruim 25 jaar later, is hij volwassen en heeft hij een baan, huis en haard. De knuffelhond die zo trouw mee ging en die al zijn geheimen kent, ligt waakzaam naast het bed van zijn dochter. En hijzelf? Hij is vandaag jarig. Tijd voor taart dus!


Held op sokken


‘Kom op, niet zo kinderachtig’. Terwijl ik mijzelf vermanend toespreek, richt ik de nog net niet ijskoude straal op mijn tenen. Brrrr, een half uur later zijn mijn onderdanen nog steeds niet op temperatuur. Niet alleen de Noordzee moest het ontgelden, ook in het Gooimeer was het op Nieuwjaarsdag een drukte van belang. Opgewarmd door Wim Hof himself zat een forse groep Iceman-adepten vijf minuten in water met een temperatuur van 4 graden. ‘Langzaam bevriezen is goed voor je’, kopte de krant. Nou mij niet gezien. Ik ben een notoire koukleum en heb regelmatig een tricolore aanval: eerst wit, dan paars, dan rood. Een groeiende groep fanaten begint de dag met een koude douche of laat zich zonder blikken of blozen in een bad met ijsblokjes zakken. Omdat ze het een uitdaging vinden, er energie van krijgen, het de groei van kankercellen zou afremmen of omdat ze menen dat ze er fitter, gezonder of zelfs mooier van worden. Nu weet ik ook wel dat sommige dingen best goed voor je zijn en dat je aan alles went, maar overdrijven is ook een vak, zei mijn moeder altijd. En gelijk heeft ze. Ik krijg al de bibbers bij het idee dat er straks ijspegels in mijn haar hangen. Maar goed, het jaar is nog jong dus mocht het gaan knagen dan heb ik alle tijd om een nieuwe poging te ondernemen. Vooralsnog duik ik mijn bed in om met mijn neus onder de dekens naar een serie over Alaska te kijken. IJzig lekker!